dinsdag 19 april 2011

Innovatie is meer dan kapitaal verschaffen

door Hans Wiltink

In zijn rapport Kapitale Kansen van februari 2011 redeneert de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) wel vanuit een heel beperkte blik op innovatie. De AWT concludeert: “Het kapitaalmarktbeleid van de overheid sluit goed aan bij de werking van de kapitaalmarkt, richt zich op het verbeteren van de toegang tot kapitaal voor ondernemingen die willen innoveren en willen groeien en het beleid is bewezen effectief”. Zouden er ook innovatieve ondernemingen zijn die deze conclusie onderschrijven? Dat is moeilijk voorstelbaar: tal van innovaties lopen vast in de ‘valley of death’ tussen de fase van onderzoek en ontwikkeling en de fase van marktuitrol. De moeilijkheid om voor de versnellingsfase financiering te krijgen is een belangrijke, maar niet de enige factor.
De innovatiecurve: veel innovaties sneuvelen
in de Valley of Death

Volgens de AWT werkt de kapitaalmarkt naar behoren, doet de overheid hier wat zij kan, en zullen verbeteringen vooral vanuit privaat kapitaal moeten komen, en is de primaire uitdaging te zorgen dat er meer ondernemers met groeiambitie komen. Dat is, volgens de AWT, een lastige vraag die, helaas, buiten de opdracht valt. Zodra het relevant wordt, deinst de AWT terug. Zonder twijfel heeft de AWT gedegen onderzoek verricht, deskundigen gesproken, en onderzoeken gelezen.
Maar als het vraagstuk over innovaties in Nederland alleen, zoals in dit rapport, door de bril van kapitaalmarktinstrumenten wordt beantwoord, is dat een garantie voor onvolledige antwoorden. Veel onderzoek over innovatie wijst uit dat Nederland slecht scoort op het gebied van valorisatie (op de markt brengen) van innovaties. De Kennis- en Innovatiefoto 2011 stelt dat op het gebied van innovativiteit in de EU alleen Spanje slechter scoort. Het WRR-rapport Innovatie Vernieuwd geeft aan dat het percentage innovatieve MKB-ondernemingen op de meeste indicatoren ver onder het EU-gemiddelde ligt. Een eerder rapport van Bain & Company uit 2006 stelt dat er in Nederland een groot tekort is aan risicodragend kapitaal voor de ‘early stage’ (prototyping en piloting)-fase van energie-innovaties.
Het is langzamerhand gemeengoed geworden het innovatiespeelveld oftewel het innovatiesysteem in de volle breedte te zien. De beschikbaarheid van (risico)kapitaal is maar één van de factoren die het succesvol valoriseren van innovaties beïnvloedt. Daarnaast zijn volgens de Utrechtse innovatiehoogleraar prof. dr. M. Hekkert van belang: experimenteren, kennisontwikkeling, leren, kennisuitwisseling, richting geven, creëren van markten, het mobiliseren van personele middelen en tegenspel bieden aan weerstand. Adviezen zoals die van de WRR laten zien dat in ons land het innovatiesysteem als geheel zorgwekkend is.
Op alle onderdelen is actie nodig – dat had ook de AWT moeten agenderen. Het risico is aanwezig dat we met het AWT-advies in de hand zelfgenoegzaam achterover gaan leunen. Dat kan dit kabinet zich gezien de nadruk die het legt op de noodzaak van innovatie in het geheel niet veroorloven.

Drs. ir. Hans Wiltink, partner van Coöperatie De Gemeynt, ontwikkelaar van concepten en plannen voor een duurzame economie


zondag 10 april 2011

Duurzaam onderlangs of bovenover?

Het is een decennia oude discussie: moeten de veranderingen naar duurzaamheid van onderop plaatsvinden (bottom-up), of juist bovenover (top-down)? Allebei, ja – dat is een gemakkelijk antwoord, maar ook onbevredigend: volgens welk mechanisme dan?


De huidige tijdgeest is duidelijk: alle energie gaat naar ‘onderop’. Het wemelt werkelijk van de meest fantastische initiatieven. Een beetje wethouder durft zijn collega’s niet meer onder ogen te komen zonder plannen voor een eigen duurzaam energiebedrijf in de achterzak. Een beetje bedrijf onderzoekt minstens vijf business-cases tegelijk om te verduurzamen. De nieuwe media dienen de sociale entrepreneurs met de snelheid van het licht. Overal en nergens worden plannen voor duurzame energie ontwikkeld: zonnecellen, windturbines, biogas. Aan initiatieven geen gebrek. Aan het enthousiasme zal het, gelukkig, niet liggen.
Rebound effect: energiezuinige lampen
zorgen voor lagere kosten per lumenuur,
en aldus voor extra verbruik,
onder meer in de tuin. 
Maar wie druk doende is duurzaam, klimaatneutraal, energieneutraal en maatschappelijk verantwoord te ondernemen, kan makkelijk het zicht op het grotere geheel uit het oog verliezen. Begrijpelijk: de aandacht moet nu eenmaal uitgaan naar de tijdige levering van apparatuur, naar de financiering van de toenemende voorraden, naar de verbetering van de omvormer die gelijkstroom in wisselstroom omzet, of andere praktische zaken die de ondernemer of projectontwikkelaar nu eenmaal moet organiseren. Hoe het eigen handelen doorwerkt in een groter systeem is dan even niet aan de orde.
Laat ik daar dan maar wat over zeggen.
Waarschuwing: onderstaande passages kunnen ernstige schade aan uw motivatie toebrengen. Maar die komt bij doorlezen wel weer terug.
In het grotere systeem worden de prachtige initiatieven goeddeels opgevreten door verschillende ontwikkelingen. De belangrijkste: voortdurende groei van het inkomen, van de wereld, een regio, een land, een individu. De ervaring is dat extra inkomen ook altijd extra energie-, grondstoffen- en milieugebruik met zich meebrengt, en dat de groei van het aantal en de geavanceerdheid van de bottom-up-initiatieven die inkomensgroei amper of helemaal niet kunnen bijbenen.
Daarnaast: het rebound­-effect, oftewel de Jevons-paradox. In het algemeen werkt het aldus: een technologische verbetering zorgt voor verhoogde grondstof- of energie-efficiency en daarmee samenhangende kostprijsverlaging. En daardoor stijgt de vraag voor dat product of dienst, of kunnen de bespaarde gelden voor andere energievretende activiteiten worden benut. Zo daalt door spaarlampen de prijs per lumenuur licht waardoor er meer verlicht wordt, en/of de besparingen opzij worden gezet voor een extra stedentrip. Per vliegtuig, uiteraard.
Twee economen, van Tilburg Universiteit en McGill Universiteit in Canada, hebben via een speltheoretisch onderzoek laten zien dat om deze redenen alleen harde grenzen (absolute grenzen aan de vervuiling) effectief zijn. 
Maar als die grenzen er zijn, is er nog iets om rekening mee te houden. Specifiek voor sectoren die onder (Europese) emissiehandel CO2 vallen, zoals elektriciteit, bepaalt uitsluitend en alleen de hoogte van het emissieplafond de CO2-uitstoot van die sector. Alle acties zijn slechts middelen die tot dat doel (het plafond) leiden. Wie een windturbine bouwt, of elektriciteit bespaart, draagt niet bij aan verlaging van de uitstoot. Hij of zij draagt er aan bij dat ergens anders in de sectoren die onder de emissiehandel het equivalent van die windturbine of elektriciteitsbesparing achterwege kan blijven. Of anders gezegd: wie door productie van duurzame elektriciteit de CO2 terug wil dringen, is er niet met een windmolen of een blok zonnecellen: hij of zij moet ook nog eens ofwel politiek afdwingen dat het plafond naar beneden gaat, ofwel emissierechten opkopen en vernietigen, bijvoorbeeld via http://www.co2markt.eu/home/.
Het beeld is wel duidelijk, vind ik: het enthousiasme, de inspiratie, de drive is vooral bottom-up; maar als niet top-down absolute grenzen worden ingesteld, blijft het dweilen met de kraan open. En als die absolute grenzen er dan zijn, is uiteindelijk de enige effectieve actie die grenzen verder naar beneden brengen. Maar er zijn maar weinig beleidsmakers bereid top-down te doen wat nodig is. Dat geldt zeker voor Nederland. Dat zal dus door de Vereniging van Duurzame bottom-uppers moeten worden afgedwongen. 

Column verschenen in Energiegids.nl, 9 april 2011

donderdag 17 maart 2011

We moeten praten over kernenergie, zeker na 'Japan'

De problemen met de kerncentrales in Japan laten zien dat gebeurtenissen met een zeer kleine kans toch kunnen plaatsvinden. Hoewel dat rationeel al duidelijk was, is het toch emotioneel confronterend als het daadwerkelijk gebeurt. In verschillende landen om ons heen, Duitsland voorop, klinkt de roep om herbezinning op de bijdrage van kernenergie in de toekomst. De EU wil een ‘stresstest’ voor alle reactoren in Europa. Ook al zijn er in Nederland geen aardbevingen en tsunami’s, een kans betekent dat iets kan, en er zijn verschillende andere redenen ook in Nederland de toekomstige rol van kernenergie in de brandstofmix kritisch te bekijken. Het goede nieuws is: er is alle tijd voor een heroverweging. In Nederland wordt zoveel nieuw elektrisch vermogen gebouwd, dat er voor stroom uit nieuwe kerncentrales voorlopig toch amper ruimte is op de markt.

De vraag of er nieuwe kerncentrales in Nederland zullen komen hangt sterk af van de keuzes die de overheid maakt. De opstelling van de overheid is echter paradoxaal. Aan de ene kant is er in de energiesector marktwerking ingevoerd, stelt de overheid slechts de voorwaarden vast en bepalen marktpartijen welke technologieën daaraan voldoen en in hun strategie passen. Aan de andere kant kiest het kabinet uitdrukkelijk voor kernenergie, en rolt het de loper voor investeerders uit. Minister Verhagen van EL&I heeft zelfs andere besluiten van kernenergie afhankelijk gemaakt: CO2-afvang en –opslag onder land is pas bespreekbaar als er een vergunning voor een kerncentrale is. De overheid wil dus én markt én heeft eigen voorkeuren.
Deze dubbele pet is niet bevorderlijk voor het vertrouwen in een neutrale rol van de overheid: de voorvechter van kernenergie, de minister van EL&I, is tevens degene die de vergunningen verleent en de randvoorwaarden stelt.
Scheiding van verantwoordelijkheden is nodig, juist omdat de randvoorwaarden sterk bepalend zijn voor de kosten van stroom uit kernenergie. Wie kernenergie als goedkope energiebron propageert, kan in de verleiding komen met lichtere randvoorwaarden genoegen te nemen dan wat technisch haalbaar is. En omgekeerd: wie om redenen van maatschappelijke veiligheid strenge randvoorwaarden voorstaat, drijft de kostprijs  van atoomstroom omhoog. En dat terwijl toch al dubieus is of kernenergie zo goedkoop is als wordt beweerd. In de VS wordt bijna 2 dollarcent per kilowattuur subsidie gegeven om een door de Republikeinen gewenste ‘nucleaire renaissance’ uit te lokken. Desondanks zijn de meeste plannen inmiddels afgeblazen. De ellende in Japan zal het animo om in kernenergie te investeren bepaald niet groter maken.

De overheid stuurt bedoeld of onbedoeld de energievoorziening in de ene of de andere richting, niet door zelf een optie uit te kiezen, maar via de randvoorwaarden voor duurzame energie, fossiele energiebronnen en kernenergie. We koersen in ons land nu af op een elektriciteitsvoorziening met veel basislastvermogen dat continu draait, kolencentrales en wellicht in de toekomst ook kerncentrales. Hoe meer continu vermogen, des te lastiger is het de omslag naar hernieuwbare bronnen als zon en wind te maken, waarvan het aanbod wisselt. Duurzaam verdraagt zich beter met snel regelbare gascentrales dan met kolen- en kernenergie. Bovendien is de laatste jaren duidelijk geworden dat er gas in overvloed is, en we zijn als Nederland sterk in gastechnologie.
De vraag is in welke richting we de energievoorziening als geheel willen sturen. Bij die vraag hoort ook de confronterende kwestie die ‘Japan’ oproept: kunnen en willen we leven met technieken die maatschappelijk ontwrichtende gevolgen kunnen hebben, ook al is de kans klein? De eisen aan kerncentrales bepalen of het überhaupt aantrekkelijk is in Nederland een kerncentrale neer te zetten en van welk type dan. Het is mogelijk alleen centrales toe te laten die ‘passief veilig’ zijn: zodanig ontworpen dat per definitie geen kernsmelting kan plaatsvinden. Dergelijke centrales zijn nu nog niet commercieel, maar dat wil niet zeggen dat zo’n ‘technologieforcerende’ eis onmogelijk is. De randvoorwaarden bepalen verder in welke mate de kerncentralebouwer aansprakelijk is bij ongevallen, en welk geldbedrag de exploitant van een kerncentrale opzij moet zetten om de ontmanteling van de centrale te kunnen bekostigen. De ‘randvoorwaardenbrief’ kernenergie die minister Verhagen eerder naar de Tweede Kamer stuurde biedt aanknopingspunten voor een heroverweging. De gebeurtenissen in Japan zijn nu ook een directe aanleiding hiervoor.

Jan Paul van Soest
ir. J.P. van Soest is partner van coöperatie De Gemeynt, ontwikkelaar van concepten en plannen voor een duurzame economie. 

Dit artikel verscheen in Trouw, Podium, 17 maart 2011

zondag 13 maart 2011

Hoog tijd voor klimaatalarmisme

De Aarde heeft Koorts verscheen als
Earth Fever in de VS en Engeland.
Is er in het huidige maatschappelijke
 en politieke klimaat wel ruimte
 om de zorgen die Earth Fever
beschrijft te bespreken?
Door de niet aflatende ijver van de ‘klimaatsceptici’ en de verschuiving van het politieke zwaartepunt, is klimaatverandering zo goed als van de Haagse agenda verdwenen. In het kielzog daarvan zijn ook andere milieu-issues zo goed als uit beeld geraakt, en is het natuurbeleid in een paar weken tijds ontmanteld.
Wie in dit maatschappelijke en politieke klimaat zegt dat hij zich zorgen maakt over de teloorgang van de natuur, de schade van milieuvervuiling, en de risico’s van klimaatverandering, krijgt meteen een label opgeplakt. Linkse hobbyist. Subsidieslaaf. Hoaxer. Dat soort werk. En als het over klimaatverandering gaat: alarmist.
Bij de eerste de beste sneeuwbui galmt hoongelach in Telegraaf en Elsevier, op blogs en fora, en zelfs in NRC-Handelsblad in de columns van Martin Bosma: sneeuw! Zie je wel! Klimaatverandering is een leugen!
Wie denkt dat de situatie in Nederland gepolariseerd is, help ik graag uit de droom. Kijk vooral naar de doorgaande stroom aanvallen op de klimaatwetenschap en klimaatwetenschappers in de Verenigde Staten. Zo bezien staan we in Europa nog maar aan de vooravond van The Age of Skepticism, waarin industriële lobby’s, marktideologische goeroes, religieuze fundi’s en naïeve hobbyisten een onvoorstelbaar pact zijn aangegaan.

Sinds eind 2008 De Aarde heeft Koorts verscheen (uitg. Ten Hove, Engelse vertaling Earth Fever, uitg. Cosimo, 2010), volg ik zowel de sceptische gemeenschap als de klimaatwetenschap tamelijk intensief. Het beeld dat uit studies van de afgelopen jaren, zeg maar na het vorige IPCC-rapport van 2007, naar voren komt is, ik kan het niet anders zeggen, schokkend. Nog schokkender is dat hiervan amper iets in de mainstream-media doorklinkt. Mijn vermoeden is: doordat er een maatschappelijk en politiek taboe op klimaatkennis is ontstaan, dat doorwerkt in de nieuwsselectie.
De conclusie, in elk geval de mijne, is dat IPCC-2007 buitengewoon voorzichtig en conservatief is geweest. Met name omdat er over enkele wezenlijke terugkoppelingsmechanismen bij het schrijven van het vorige IPCC-rapport nog onvoldoende kennis bestond. Onvoldoende kennis wil uiteraard niet zeggen dat die mechanismen niet bestaan, maar volgens de regelen der IPCC-kunst zijn ze juist om niet alarmistisch te zijn buiten beschouwing gebleven. Op een aantal van die feedback-mechanismen zijn de inzichten gegroeid, een deel ervan zal in het volgende IPCC naar verwachting wel meegenomen kunnen worden. Zie onder meer http://www.copenhagendiagnosis.org. Het volgende IPCC-rapport zal dan wel stevig schrikken worden, en wederom zal de klimaatwetenschappers en het IPCC ‘alarmisme’ worden verweten.
Er is veel voor te zeggen dat de IPCC-rapporten aan de voorzichtige kant blijven, ook al worden ze nogal eens als alarmistisch weggezet. Tegelijkertijd vraag ik me af hoe en door wie dan de wetenschappelijke inzichten die werkelijk alarmerend zijn worden gecommuniceerd. Als het IPCC zo’n beetje de ondergrenzen aangeeft van wat er kan gebeuren, misschien een middenscenario – wie rekent dan door wat een wetenschappelijk ook nog plausibele bovengrens of maximumscenario kan zijn? En wie durft dat te agenderen?
In enkele landen begint het te bewegen. In Engeland heeft het Tyndall Centre een indrukwekkend werkstuk gepubliceerd in het prestigieuze Philsophical Transactions, waarin Isaac Newton reeds schreef. Vier (4!) graden opwarming deze eeuw is al haast niet te vermijden, schrijven de onderzoekers. U wilt niet weten wat de effecten zijn. Maar als u het toch wilt weten, wat ik hoop, hier is het spul te vinden: http://rsta.royalsocietypublishing.org/site/2011/four_degrees.xhtml. Vier graden. Wat doen we dan? In Duitsland timmert het Potsdam Institut für Klimaforschung aan de weg met vergelijkbare analyses. Maar in Nederland koesteren we ons nog in de illusie dat 2 graden Celsius temperatuurstijging nog haalbaar is. En dat terwijl wij met onze politieke constellatie als geen ander zouden moeten weten dat er geen millimeter klimaatbeleid wordt gevoerd als de ogen even een paar jaar gesloten zijn voor enkele grote maatschappelijke vraagstukken.
Als er iets nodig is in de komende tijd, is het wel klimaatalarmisme.

(verschenen in Energiegids.nl, 11 maart 2011)

vrijdag 11 maart 2011

Clicksysteem duurzaam als brug tussen subsidies en verplichting


Bijstook biomassa is een van de
 goedkoopste vormen
 van duurzame energie
De discussie komt weer op over de vraag hoe duurzame energie in de komende jaren moet worden gestimuleerd. Dat het huidige, voortdurend wisselende subsidiestelsel niet effectief is, is wel duidelijk. Twee scholen twisten over de vraag hoe het verder moet (afgezien van de dominante school die stelt: helemaal weg met klimaatdoelen en duurzaam). Beide hebben het voordeel dat de stimuli niet meer via de rijksschatkist lopen, waar wispelturige politici mee rommelen en variëren al naar gelang hun luimen.
De eerste school ijvert voor een Duits feed-in-achtig systeem: goede vergoedingen voor aan het net geleverde duurzame energie, op te brengen door opcenten op grijs, en buiten de schatkist om. En bij wet verankerd, zodat niet elk nieuw kabinet weer kan schuiven en schipperen.
Een tweede school, momenteel aan de winnende hand, en opmerkelijk genoeg vooral opgestuwd door de branchevereniging EnergieNederland (in daarbinnen in het bijzonder de biomassabijstokers), ijvert voor een verplicht aandeel duurzaam: x% van de geleverde energie moet gewoon duurzaam zijn, punt.
De tweede school heeft als zorgen bij het voorstel van de eerste school dat het allemaal te duur wordt, en daarnaast dat de overheid zich mogelijk toch niet kan beheersen en net zo gaat zigzaggen en jojo-en met de geldstromen als ze altijd al heeft gedaan. Funest.
De eerste school heeft als zorgen bij het voorstel van de tweede school dat een verplichting alleen de allergoedkoopste en weinig innovatieve vormen van duurzame energie stimuleert, vooral bijstook biomassa in kolencentrales en windenergie op land, en daarnaast dat wanneer er onvoldoende aanbod van duurzame energie is, degenen die deze wel produceren oneigenlijke winsten kunnen behalen.
De zorgen over en weer zijn begrijpelijk. Al geldt ook dat elk van de modellen, feed-in zowel als verplichting, in beginsel zo kan worden vormgegeven dat de belangrijkste bezwaren worden weggenomen.
In het Nederlands-politieke denken zit er bij feed-in echter een adder onder het gras: ook al lopen de geldstromen van grijze energie naar hernieuwbare energie buiten de rijksbegroting om, ze worden toch als collectieve lasten aangemerkt. Als een windturbine wordt geplaatst dankzij een feed-in-bijdrage zijn de collectieve lasten in ons land dus wonderlijk genoeg hoger dan wanneer diezelfde turbine wordt neergezet als gevolg van een verplichting, ook al betaalt de BV Nederland even veel.

Is er een tussenweg? Waarschijnlijk wel: een ‘clickfondsmodel’ voor duurzame energie. Dat kan een geleidelijke ombouw mogelijk maken van het stelsel tot heden naar een verplichtingenstelsel.

In een clickfonds wordt een bepaalde koerswinst veiliggesteld, op een manier die voor de analogie met duurzame energie verder minder relevant is.
Voor duurzaam zou het model als volgt kunnen zijn: start met een feed-in-systeem (SDE+regeling), met tarieven gedifferentieerd naar verschillende bronnen die elk ook hun eigen kosten en marktmogelijkheden hebben. Zodra een deelmarkt voor een van die bronnen voldoende liquide is, wordt dat marktaandeel ‘vastgeclickt’ in de vorm van een verplicht aandeel duurzaam voor die bron, en kan de feed-in-vergoeding voor die bron vervallen. En zo verder als een volgende deelmarkt voldoende liquide is.
Begonnen kan nu al worden met (duurzame) biomassa en waarschijnlijk ook wind op land. Daarna op naar de volgende bronnen. De condities waarbij de ‘click’ plaatsvindt worden vooraf vastgelegd, zodat een stabiele, voorspelbare ontwikkeling ontstaat waarop marktpartijen kunnen inspelen.
Snelle uitwerking is hoe dan ook geboden. Het duurzame-energiebeleid valt nu tussen wal en schip, de onzekerheid over de toekomst alleen al is een reden voor marktpartijen zich buitengewoon terughoudend op te stellen met investeringen in duurzaam in ons land. En dat terwijl we op verschillende indices toch al stevig zijn gezakt.